Tsjirp mee - NIEUWSNIEUWSNIEUWSNIEUWSNIEUWSNIEUWSNIEUWSNIEUWSNIEUWSNIEUWS

Een vierde Vlaamse populatie Rosse sprinkhaan, in een wegberm te Halen (Limburg)

Links: Rosse Sprinkhaan, Halen, september 2005 (Jorg Lambrechts)

Rechts: vindplaats Rosse Sprinkhaan, Halen, september 2005 (Jorg Lambrechts)

[Klik op foto's voor groter formaat]

Op 5 september 2005 was ik wegbermen aan het inventariseren op sprinkhanen en dagvlinders, in het kader van de opmaak van een bermbeheerplan voor de gemeente Halen (West-Limburg). Het was warm en zonnig weer en omstreeks 16 uur in de namiddag onderzocht ik een berm in de Bosstraat (FS 48 43), in het gehucht Ertsenrijk. Dit is in de uiterste zuidoosthoek van de gemeente Halen: 750 m naar het zuiden ligt de grens met Geetbets (Vlaams-Brabant), 1 km naar het oosten ligt Herk-de-Stad. De Bosstraat ligt tussen Grote Gete (500m oostwaarts) en Velpe ( 2 km westwaarts).

Al fietsend hoorde ik een zingende sprinkhaan, waarvan ik het geluid niet meteen kon thuisbrengen. Ik stopte en er zat een sprinkhaan opvallend op de vegetatie. Meteen viel op dat de top van de sprieten zwart-wit getekend was en dat de sprieten verdikt waren: dat betekent Rosse sprinkhaan !

Net voordien had ik een voor de streek uitzonderlijk waardevolle berm onderzocht, waar Tormentil abundant aanwezig is, en daar was enkel Krasser te horen ! Deze berm met Rosse sprinkhaan echter is een ‘ruige’ berm gedomineerd door Grote brandnetel en forse grassen. Het is bovendien een smalle berm, met erlangs een sloot met veel tandzaad in en daarop volgend meteen akkers. Decleer et al. (2000) geven inderdaad aan dat vrij dichte, grasvegetaties de voorkeur genieten op ijle, schrale vegetaties. Anderzijds vermelden ze wel dat deze liefst langs (zuidgeoriënteerde) bosranden liggen, maar in de omgeving van deze berm in de Bosstraat is geen bos aanwezig.    

Nader onderzoek wees uit dat  hier een tiental zingende mannetjes aanwezig was (ter hoogte van het huisnummer Bosstraat 30), aan beide zijden van de weg. Ongeveer 100 m verder, aan het volgende huis (Bosstraat 18), stopte ik opnieuw om de aanwezigheid van de soort te controleren. De soort liet zich meteen weer opmerken (minstens 3 zangposten vlakbij elkaar), eveneens in een smalle grazige berm met een sloot, maar deze keer met een grasland als aanpalend ecotoop. Op een volgende stopplaats, nog eens 100 m verder (t.h.v. Bosstraat 8), kon meteen een 6 tal dieren waargenomen worden. Hier is de berm minder ruig.

Tenslotte is de meest nabije berm in de volgende straat (Corneliusstraat) gecontroleerd, zonder resultaat.  

Wat opviel is dat de dieren vrij tam zijn en zich makkelijk laten bekijken. Ook het feit dat ze veelal opvallend op de vegetatie zitten, is een pluspunt om deze soort te ontdekken.  

Het besluit is dat er hier een flinke populatie van een in Vlaanderen zeer zeldzame sprinkhaansoort aanwezig is. Er zijn minstens 20 dieren waargenomen op 3 locaties, terwijl de tussenliggende delen van de berm niet onderzocht zijn. Zonder twijfel komen daar nog tientallen dieren voor.

Naar beheer toe hoeft er niet meteen iets te veranderen, lijkt me. Intensivering van het beheer is zeker niet wenselijk, gezien de voorkeur van de soort voor vrij ruige, grazige vegetaties.


 

 

Links: Rosse Sprinkhaan, Halen, september 2005 (Jorg Lambrechts)

Rechts: vindplaats Rosse Sprinkhaan, Halen, september 2005 (Jorg Lambrechts)

[Klik op foto's voor groter formaat]

 

De Rosse sprinkhaan (Gomphocerripus rufus) was tot voor kort in Vlaanderen enkel bekend van de Voerstreek (Decleer et al., 2000). Deze populatie sluit aan bij de enige Nederlandse, in Zuid-Limburg (grote populatie in spoorwegberm in Schin-op-Geul). Dit zijn voorposten van de populaties in Wallonië. Daar is de soort plaatselijk algemeen (Viroinvallei, Fagne-Famenne, Lotharingen) en ze lijkt zich er nog uit te breiden (Decleer et al., 2000).

Recent (2002) is de soort op 2 plaatsen in Vlaams-Brabant ontdekt: in Meerdaalwoud (Oud-Heverlee) en aan de rand van de Eikelberg in Aarschot. In Meerdaalwoud is de soort talrijk op open plekken in het militair domein. Daar is een kalkminnende flora aanwezig dankzij grond die van uit Wallonië is aangevoerd (uit de Famenne). Mogelijk zijn er met de grond eieren of (volwassen) sprinkhanen meegevoerd.  

Een vraag die zich nog stelt in verband met de Halense populatie, gaat over de herkomst van de dieren. Een eerste mogelijkheid is dat het gaat om een natuurlijke uitbreiding. Argumenten pro zijn dat de soort zich recent zou uitbreiden in Wallonië (zie hoger) en dat ze een goed kolonisatievermogen heeft (Kleukers et al., 1997). Anderzijds ligt deze populatie vrij ver van alle gekende populaties en het is merkwaardig dat een schijnbaar weinig geschikte locatie is uitgekozen, terwijl de soort toch een specifieke habitatkeuze kent. Andere zuidelijke soorten die uitbreiden, zoals Sikkelsprinkhaan, Gouden sprinkhaan en Zuidelijk spitskopje, worden net in heel specifieke habitats gevonden. Waarom zou de Rosse sprinkhaan dan niet veeleer uitbreiden in de warme bosranden op de zuidflanken van de getuigenheuvels in het Hageland, vanuit de populatie op de Eikelberg. Deze wegberm is er één die je zowat overal in Vlaanderen aantreft. In de directe omgeving van de berm liggen akkers, soortenarme cultuurgraslanden en veel laagstamfruitboomgaarden. Er is dus sprake van een intensief grondgebruik en weinig bossen. Op 2 km afstand ligt er een groot natuurreservaat van Natuurpunt vzw, de Aronsthoek ( 150 ha ), maar daar vinden we vooral (zeer) natte ecotopen, ongeschikt voor de Rosse sprinkhaan.  

Het lijkt me veel waarschijnlijker dat eieren of volwassen dieren toevallig zijn aangevoerd met (bodem)materiaal, net zoals zich vermoedelijk in Meerdaalwoud heeft voorgedaan en misschien ook wel op de Eikelberg. Punt is wel dat de populatie in de Halense berm goed lijkt te gedijen (veronderstellend dat ze van een beperkt aantal aangevoerde larven, adulten of eieren is vertrokken) en vermoedelijk al minstens enige jaren aanwezig is.

De Rosse sprinkhaan is geen typisch zuidelijke soort in uitbreiding. Ze komt in grote delen van Europa algemeen voor in ruigere vegetaties op verstoorde en meer natuurlijke terreinen. Ze bewoont grote delen van Zweden en Noorwegen en uit Duitsland wordt gemeld dat ze koude periodes kunnen overleven onder afgevallen bladeren en op die manier tot half december kunnen gevonden worden (Kleukers et al., 1997).

 

Jorg Lambrechts

Zuurbemde 9

3380 Glabbeek

Jorglambrechts@hotmail.com