Inleiding
De sprinkhanen en krekels behoren tot de insectenorde van de rechtvleugeligen
(orde Orthoptera). Het woordje Orthoptera is afgeleid van de griekse woorden
orthos (recht) en pteron (vleugel).
Bij de rechtvleugeligen zijn de
voorvleugels - evenals de dekschilden bij kevers - steviger en harder dan de
achtervleugels. De voorvleugels van rechtvleugeligen zijn - in tegenstelling tot
bij de kevers – recht en buigzaam met duidelijke aders. De achtervleugels zijn
dun en vliezig. Beide vleugelparen zijn voorzien van vliegspieren en spelen dus
een rol bij het vliegen.
Sprinkhanen hebben bijtende monddelen.
Volgende kenmerken zijn eveneens kenmerkend voor de rechtvleugeligen:
-
achterpoten ontwikkeld om te springen (door het gewricht tussen scheen en
dij te strekken);
deze zijn 4 ŕ 5 maal
groter dan de overige poten;
-
vergrote dijen om de grote tibiale strekspier te herbergen;
-
de zijkanten van het halsschild zijn naar beneden uitgegroeid;
-
achterschenen met twee rijen dorsale tanden.
In diverse oudere handboeken
worden naast sprinkhanen en krekels ook de kakkerlakken (Blattodea),
bidsprinkhanen (Mantodea), termieten (Isoptera), wandelende takken (Phasmatodea)
en oorwormen (Dermaptera) tot de orde van de rechtvleugeligen gerekend.
Tegenwoordig worden deze groepen als aparte orden beschouwd.
Sprinkhanen en krekels worden om verwarring te voorkomen ook wel Saltatoria (= springers) genoemd.
De groep van sprinkhanen en krekels worden opgedeeld in twee onderorden namelijk langsprieten of Ensifera (‘zwaarddragers’) en kortsprieten of Caelifera (‘beiteldragers’).
Tot de langsprieten behoren de families van de sabelsprinkhanen en krekels (incl. Veenmol). Tot de kortsprieten behoren de families van de doornsprinkhanen en veldsprinkhanen.